180px-Johann_Sebastian_Bach.jpg

Zondag  8 september 2019
Cantate BWV 137  "Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren"

 

We openen ons nieuwe seizoen met de feestelijke cantate BWV 137, door Bach in 1725 voor deze zondag van het kerkelijk jaar gecomponeerd. Bach heeft de tekst van het oorspronkelijke lied onveranderd overgenomen. De eenheid van de cantate wordt versterkt doordat ieder deel met dezelfde woorden begint, terwijl ook de koraalmelodie in elk deel minder of meer onmiddellijk herkenbaar terugkomt.

De opbouw van de cantate is heel symmetrisch. In het openingsdeel en het slotkoraal zingen de sopranen de melodie. Het feestelijke karakter wordt onderstreept doordat deze delen worden opgeluisterd door drie trompetten en pauken. In het slotkoraal vormen zij zelfs een toegevoegd kwartet waardoor de cantate achtstemmig wordt afgesloten.

Binnen deze uitbundige omlijsting zijn de drie aria's meer ingetogen. Het tweede deel opent met een viool solo, en daarbinnen horen we de koor-alten het tweede vers van het koraal zingen. Het vierde deel is een aria voor de tenor, met een virtuoze cellopartij, waardoorheen de trompet de koraalmelodie speelt. Bach brengt hier een uitzonderlijk geraffineerd contrast aan: de aria als geheel staat in mineur (a-klein), maar het erdoorheen geweven koraal staat in majeur (C-groot)! Hetzelfde zal hij later doen in het openingskoor van de Matthäus Passion (e-klein) met het ingeweven koraal dat door de jongetjes gezongen wordt (G-groot).

Het derde deel vormt het hart van de cantate. Het is een dubbel-duet voor de twee hobo's enerzijds en de sopraan en de bas anderzijds. Ook hier worden we aan de koraalmelodie herinnerd, nu meer indirect in de vorm van omspelingen. Dit grote middendeel is het meest introverte - waarna de muziek om zo te zeggen weer open bloeit naar het slotkoraal toe.
 

Het slotkoraal wordt van tevoren kort (vierstemmig) ingestudeerd, zodat iedereen dat mee kan zingen. Wil je alvast oefenen? Zie volgende pagina, met tekst en de afzonderlijke stemmen.